Oktober tweede helft

Ten geleide

We vertrekken in de tweede helft van oktober van de Islam, die een offergezinde godsdienst is, en we komen in de laatste week uit op een heuse sonnettencyclus met een uiterst christelijke inslag.

Op haar manier is de katholieke kerk ook zeer met offers begaan. Het blijft dus wel ergens nog wel een beetje verband houden met het maandthema.

Islam

Maar eerst dus de Islam. Deze vermaarde godsdienst kent een offerfeest. Moslims mogen dan al eens graag een schaap slachten.

Strootjes

Volgt een gedachte van de Perzisch-Turkse dichter Jallal El Din Rumi. Een van de grootste schrijvers ooit en een hoogtepunt van de mystiek.

Eigennamen

De Limburgse Kunegonde was oorspronkelijk Jeannine Leduc, geboortejaar 1939 thans ere-senator van VLD.

Zwarte stroken

Een tijd lang kregen we breedbandtelevisie met zwarte stroken erboven en eronder te zien, als het nieuwe beeld te breed was voor je ouderwetse televisie.

Cyclus

In de laatste week van oktober brengen we de zeven gedichten uit ‘Miguel Molinos, de laatste ketter’ onze succesroman omtrent een inquisitieproces in de zeventiende eeuw in Rome.

Ze vormen een geheel en kunnen niet gescheiden worden. We mogen dat een sonnettencyclus noemen.

Intermezzo

 

Maar nu eerst de tussensmijter. Met eigennamen. Agalev boegbeeld Vera Dua was de Vlaamse minister van Landbouw,  en meneer Forêt haar Waalse tegenhanger, en tegenligger, van Milieu.

 

 

Tussensmijter

Vergeven van de pesticiden,

En overlopend van de mest,

Nog niet hersteld van varkenspest,

Komt nieuwe crisis aan zich bieden.

 

Gevangen zitten hoge lieden,

Die vonden het pas opperbest,

Als er wat minder werd getest,

En geen controle kon geschieden.

 

Een ambtenaar zit in de cel

Nu op secreet. Hij drinkt gelaten,

Een water vol met stikstof en nitraten.

 

Vera Dua, in alle staten

Is met de Waal Forêt  gaan praten.

De voedselveiligheid? Een zeepsopbel!

16. Slapeloos wiegeliedje

Nu een voor een geteld: voorbijkomende schapen,

Teruggekeerd naar warme en geborgen stal,

Een wollige en droge vachtenwaterval,

Die maar aan een ding denkt, met name veilig slapen,

 

En in hun dromen hun verleden samenrapen.

Als ooit het einde komt, is het een droge knal,

Ofwel een mes dat halsslagader treffen zal,

En uit de offerschedel hersenweefsels schrapen,

 

Zo wreed als oude sprookjes van de moeder Gans,

Of van gebroeders Grimm. Mag niets je slaap verstoren.

De herdershond blaft rond in hoedende cadans,

 

Koraal van hoornvee laat zijn avondzangen horen.

Er is geen toeval, en de wolf krijgt hier geen kans,

Het offernoodlot is beschoren van te voren.

17. Luider of dichter

In de gemengde wijk verrijst een klokkentoren,

Vlakbij een gestileerde mini-minaret,

Met tegeltjes en liefde  in elkaar gezet.

Om beurt laten ze klokken of hun roepstem horen,

 

Tot lof van God verheven zingen hemelkoren.

Daar beiert ‘t carillon in het torenlunet,

Gevolgd door eerste letter van het alfabet.

Zo gaat de waakzaamheid geen ogenblik verloren.

 

Als Joden met een hoorn tot erediensten lokken,

De Islamieten met de menselijke stem,

De Christenen doen een beroep op torenklokken,

 

Maar allen loven met vereende krachten Hem!

In eindeloze lus die nooit voorgoed zal stokken,

Of anders heet ik Peter niet Van Breusegem.

18. Van God los

In de gemengde wijk is de feestpret bedorven.

Nu was er daar ineens een steile atheïst,

Die vol van zijn na-ijver zich geen blijf meer wist.

De godsdienst heeft het volgens hem verkorven.

 

Hoevelen zijn er niet gesneuveld en gestorven?

Hoevelen in Godsnaam verdwenen of vermist?

Door godsdienstoorlogen en religieuze twist!

We hebben lang genoeg gedoold en omgezworven.

 

Gejuich weerklinkt in goddeloze republieken.

Het moet maar eens gedaan zijn met die dondergod,

Die heel de heilsgeschiedenis hielp te verzieken.

 

Gij dominees, imams en rabbi’s opgerot!

Gedaan met de koran en met de encyclieken!

Applaus van Hitler, Stalin, Mao en Pol Pot.

19. Allah akbar in Rabat

Eerst klinken ze nog ver in nachtelijke stilte.

Ze komen evenwijdig aan met dageraad,

Naar onderscheid van zwarte met een witte draad,

De hitte tegemoet geschreeuwd uit ochtendkilte:

 

O morgengloren in uw oostelijke prilte!

De Heer begint zijn dagelijkse scheppingsdaad,

Met pracht en zegepraal in lichte overdaad,

God overstelpt ons met zijn zoete en zijn zilte.

 

Ontworstelt zich heel ver aan ochtend-nevelen:

Een stem na andere, ontrukt aan vrouw en bed.

Geen monniken die vroege metten prevelen.

 

Het koor komt naderbij met een gestage tred,

Om gisteren naar morgen om te hevelen.

Ze roepen op tot het gezamenlijk gebed.

20. Er is geen God behalve God

Mohammed is de zegelstempel der profeten!

De laatste keer dat God tot dove mensheid sprak.

Dat Hij in derde boek zijn eeuwig zwijgen brak,

Dat wordt Hem tot op heden dikwijls nog verweten.

 

Sindsdien zit Allah sprakeloos het uit te zweten,

Kwam niet meer tussenbeide in ons ongemak.

Bij oorlog en bij voetbalwedstrijd bleef Hij vlak

Zijn even gunsten met eenzelfde maatstaf meten.

 

Zijn orde is volmaakt in regel, rij en rang

En in Zijn Schoot is er een woord voor alle dingen

Maar als Hij televisie keek, dan werd Hij bang,

 

Als velen in Godsnaam hun wandaden begingen.

Hij zegde nog: “de Ware Islam kent geen dwang!”

Hij luistert naar gebed en vrome zonderlingen.

21. Zorgvliet

Zo voert gedachtestroom met achteloos geklater,

Een vloot van stokjes en van strootjes met zich mee,

Het ene wat parmantig en het ander meer gedwee,

Gedwarreld op de vliet en het klotsende water.

 

Onvoorbereid op eeuwigheid, onklaar voor later,

Op wegtocht naar de eindeloze zoute zee:

Een zaaddoos of een fruitpit of een orchidee.

Een glimp zij opgevangen van natuurtheater.

 

Het zijn de sporen van de onvindbare hof,

Waar dingen groeien die alle verbeelding tarten.

Je ziet de afdruk in het poeder en het stof.

 

Wie zou daar niet naar smachten en naar smarten?

Dat loverbladstruweel en overhangend lof,

De tovertuin van troost voor uitgehuilde harten.

22. Publiciteit

Tele-geleid heb ik de beeldbuis aangestoken.

’t Begin kon ik niet zien. Het is vast geen gemis.

Ik viel te midden van een uitgestorven quiz,

Op breedbandtelevisie met de zwarte stroken.

 

De achtergrondmuziek probeert ons op te poken,

Tot link van aardrijkskunde naar geschiedenis,

Een tamtamritme uit de oerwoudwildernis

Dan is de tijd van de reclame aangebroken

 

Wedijverend voor onze aandacht op het scherm:

Het witste poeder en de droogste maandverbanden,

Dan komt het Nieuws met weer een Porsche in de berm.

 

Het gaat maar door zonder ooit ergens aan te landen

Verhalen elke dag, geweeklaag en gekerm,

Van dode kinderen en uitgebrande panden.

23. Praatprogramma

Er valt op zijn betoog weer weinig af te dingen.

Hoe de Islam verschilt van Katholieke kerk,

Hij stelt daarbij oeroude bronnen in het werk.

Zo oogst hij roem bij invloedrijke denkerskringen,

 

Die zijn verbetenheid berijmd met lof bezingen.

Hoera en loftuitingen zonder paal noch perk!

Hij wil niet ophouden, geen term is hem te sterk,

Al wil hij natuurlijk zijn mening niet opdringen.

 

En in contrast daarmee een huishaardfilosoof:

Uit Limburg is er de Walkure Kunegonde,

Een kruising van een tank en van een kolenstoof.

 

Een moeder-overste op zoek naar verse zonde,

In dunne stof gehulde pijler van geloof,

Zij vormt de sluitsteen van de talkshowtafelronde.

24. Biecht

Ik kniel en ik beken, mijn biechtvader, eerwaarde

Te veel hield ik van prikkelende woordenroes

Extase met vervoering, en geroezemoes,

dat ‘t nutteloze aan ‘t onaangename paarde

 

Tot Jezus Christus me eens goed in d’ogen staarde

En sprak: het moet nu uit zijn met de flauwe smoes

Hij klapte in zijn handen en plotsklaps pardoes

Lag ik op madeliefjes en de aangestampte aarde

 

Vergeef mij, Vader, mag ik bidden. ‘k Kus uw mouw

Dat uw manipel mij uit hellepoel mag heffen

Uw stola, of ik vraag het Onze Lieve Vrouw.

 

Al moet ik tot mijn schande al mijn schuld beseffen

Ik worstel met mijn spijt in tranen van berouw

En zal mezelf in boetedoening overtreffen

25. Adriaan voortaan

Het bloed hebt gij van Christus schaamteloos verraden,

Gij roofconclaaf, gij die het mooie Vaticaan

Aan norse willekeur zo mak hebt afgestaan.

Verbitterd zal de spijt uw hartenklop beladen.

 

Onware wereld, eeuw van waan waarin wij waden,

Die mís leidt elke hoop dat wij in vrede gaan.

Latijnse kracht door Duits bevel geknecht voortaan.

De buitenlandse overheersing zal ons schaden.

 

Zo lang er geen Romein bereid is tot de eed,

Om in ons aller naam de schand in bloed te drenken,

Doet onrecht ieder die met Petrus drinkt of eet!

 

Wie kan gelijke wandaad oud of nieuw bedenken?

Wie zegt dat hij antiek, modern zo’n voorbeeld weet?

Waarom zou nog de zon de aarde warmte schenken?

26. Karaf

Marforio, hoe klotst en walst de rode wijn

Omhoog tegen de holle buik van de karaf

Al is hij naar mijn smaak wellicht een beetje straf

Er glinstert in zijn tint van bloed een hete schijn

 

Pasquino, laat mijn woord niet tot uw wrevel zijn

Hergist is deze droesem, en verschaald de draf

Vergaan zijn roes, de zoete druivengeur eraf

De zure smaak vormt het bewijs: het is azijn.

 

Marforio, Wat ons ontbreekt, is helder water

Wat Rome uitstroomt, heeft de geur van een riool

Wat opgesloten zat, dat ruiken we pas later!

 

Ik schat u hoog, Pasquino, gij zijt mijn idool

Maar vóór iemand u hoort, staak uw gesnater

Onder de assen gloeit verborgen hete kool.

27. Open boek

Is niet de schepping zelf een boek waarvan de bladen

Aaneen zich rijgen tot een brok geschiedenis

De tragische roman van wat de mensheid is

Van slijk tot spraakzaam dier en voedsel voor de maden

 

Daarom heeft God een drietal boeken aangeraden

Een kostbaar plan vol waarheid en geheimenis

Dat zalf legt op de wonde van het grondgemis

De vore recht geploegd ter zaaiing van de zaden

 

Wij bladeren verblind in ‘t weefsel der natuur

De schering uit de inslag kunnen wij niet lezen,

Maar weven ongewild de tekst van de cultuur

 

Gejaagd op zoek ons onvermogen te genezen

Gedreven, ontevreden. Tot het laatste uur

Rood aanbreekt: Christus onze Heer voor ons herrezen.

28. De stem uit de kerker

Molinos en Petrucci, elk in eigen cel!

“Waar ben je?” zucht de een? maar niemand kan hem horen,

Daar dikke muren om hem heen zijn stem versmoren;

“Waar ben je?” vraagt hij naar zijn verre metgezel.

 

Zo bidt en pleit in ijlkoorts vruchteloos Miguel.

“Waarom ben je zo stil en zwijg je plompverloren?

En neem je niet het woord in jouw ivoren toren,

Hoogwaardig zetelend in Sixtus’ hofkapel?”

 

“Ik neem het je niet kwalijk en wil je niet bedroeven

Integendeel jou toegewenst het hoogste lot

Om geen van beiden in gevangenschap te toeven.

 

Petrucci Paus! Dan komt er in mijn zaak weer schot.

Ontsluit mijn boeien en laat los mijn kluisters schroeven

Met Petrus’ sleutels in één draai uit dubbel slot.“

29. Eindoordeel

Voor ‘t oog van hogelijk verbaasde kardinalen

Ontrolde zich een spel waarin zij zich verhapten,

Waarvan zij zelfs de eerste letter nog niet snapten.

Ik hoorde hen onthutst een diepe adem halen.

 

Het oordeel moest geveld. Opzij met alle dralen,

Want kerkprinsen, prelaten, bisschoppen en abten,

Vergaderden om op de ketterij betrapten

Te vonnissen, gezien zij dolen en zij dwalen.

 

Waarom was Miguel Molinos zo verkeerd?

Waarom zocht d’Inquisitie voor de laatste maal

In de geschiedenis een zo streng verhaal?

 

Wat heeft in zijn geval de rechtbank ons geleerd?

Hij heeft zich zonder weerstand tot de kerk bekeerd.

De niets-wording leidt naar het einde van de taal.

30. Verstikt

Wie spreekt, wacht de galei, wie schrijft, wordt opgeknoopt.

Ofwel verbrand. Wie ketterijen toebehoort,

Meedogenloos door hoge Rechters opgespoord,

En zonder kans op t’rugkeer uit Gods volk gestroopt.

 

Wie te veel nádenkt, ziet zijn levenswerk gesloopt.

Al wie de vrije meningsuiting heeft bekoord,

Is vogelvrij verklaard en weldra uitgemoord.

Op vrijgeleide noch genade zij gehoopt.

 

De Waarheid is volledig, niemand heeft verlof,

De Openbaring ook een komma bij te geven.

Zie: Hulpeloos en trillend staat hij voor het hof

 

Terecht. Wat baat nu snakken, smachten, smeken, beven

Hij wentelt zich te laat en tevergeefs in ‘t stof

Verbeurd heeft hij het eindig en het eeuwig leven.

31. Tot afscheid

Nu, na dit zware boek wil ik niet dieper graven

Al is het soms gezet op een beladen toon

De schrijver is betaald te kárig hongerloon

Bedolven onder werk en geen genadegaven

 

De bronnen die de teksten hadden moeten staven

Zijn niet altijd vermeld in hoogsteigen persoon

Hun zij mijn dank, voor mij de te verwachten hoon

Wanneer de rechters zich aan deze teksten schaven

 

Zoveel papier is schade, jammer voor de bomen

Maar op een vel of zeven komt het hier niet aan

Al had ik graag een béter tijdverdrijf bekomen

 

Ik weet niet of ik ooit Molinos heb verstaan

Het is alsof ik zijn bestaan heb kunnen dromen

En kwade nachtmerries omtrent hem heb voortaan.

Uitsmijter

Marokkaanse Liechtensteiner

Er is geen Paus in de Islam!

Ik werd met vredewens ontvangen,

En kuste de bebaarde wangen,

En at met hen het offerlam.

 

Dronk thee met munt bij de imam,

En praatte over stambelangen,

En of er regenwolken hangen,

Ik stopte met diazepam.

 

Gedeeld het water, zout en brood,

In vriendschap ondanks droogtenood.

We kauwen samen op dezelfde korsten.

 

We zitten in het avondrood,

Tot het gebed zijn uitgenood,

De korrels die naar Allah's regens dorsten.

Doorgaan

21. sep, 2016

November 1-15

Om door te gaan naar de eerste helft van november klikt u hier.