Marforio, sprekend standbeeld, Rome

Doek

Mallaria senza fine

 

Een sonnettentenniswedstrijd

ontaardt in onbedaarlijk  tweegezang

 

 

 

door

Peter van Breusegem en Chris Coolsma

Intocht der gladiatoren

De baan, een net, twee ego’s, tassen, rackets, ballen,

de wil om koste wat kost de ander te verslaan

wilt U het woord sonnettentennismatch verstaan

zet U dan neer op de tribunes met z’n allen,

 

verkleed U als bos wortelen om niet zo op te vallen

ga als een duivel met een drietand naar de baan.

Allez, laat U, met alle gekken samen, gaan

in het krankzinnig schreeuwen, zingen, lallen, brallen.

 

Links staat de Vlaamse Belg, het schuim staat aan zijn lippen,

gereed voor onversaagde hersengymnastiek,

met voetenpijn verzenuwd op en neer te wippen,

 

rechts staat de Hollander, waar niemand aan kan tippen

als ’t gaat om strakke ritmes. Brein van elastiek.

Laat uw gejuich nu schuimen als golven op de klippen!

Vervloeking

Afscheid van een afschuwelijke politicus



Hartsgrondig wens ik U dat U door kakkerlakken,

Krioelend in uw huis, bekropen en verteerd

Gevonden wordt, de ingewanden uitgesmeerd

Met maden en met wormen en met huisjesslakken

 

Een rottingsgrijns zal aan uw scheve schedel plakken

Want ook de dood heeft uw grimassen niet verleerd

Uw ziel is nu naar haar natuur teruggekeerd

Het ongedierte moge U aan stukjes hakken

 

Gedaan met liegen en verrukte flauwekul

Met oorlog stoken en voortdurend ruzie zoeken

Gij wrede beul en oliedomme boerenlul

 

Gewetenloze schurk en groot stuk onbenul

Het toekomstdoelwit van een reeks onthullingboeken

Die U en Uw geslacht genadeloos vervloeken

PvB

Wedervloek

-een plagerij-

Heer,

Verlos mij van het Italiaans sonnetkorset
Help mij, laat mij uit dit roestig harnas breken
'k Wil verhalend vloeken, ziedend zedenpreken
Doch het sonnet beklemt mij als Procustus' bed

Ik wil woest proza schrijven op het internet
Mijn woede spuien over politieke teken
Mijn staf over de schurken en bedriegers breken
Maar ik raak verstrikt in het korsetsonnet

Vervloekte zesvoet lokt mij hinkend in de val
Veertien is voorgoed mijn ongeluksgetal
Laat me er op los slaan als onheilsoldaat

Liever spuw ik voortaan ongerijmd mijn gal
Ik word dol van deze Renaissancemal
Laat me proza braken op A4-formaat!


JCC

Brulpaus

Een kwelgeest in een onberispelijke woning


Als dat niet om een rukstorm en een zweepwind smeekt

 

Waar is de brulpaus? Zoek hem! Vind hem! Ga hem halen!

Vraag excommunicatie en het interdict

Zodat de ketter zich in zijn ontbijt verslikt

Hits op een koor van goedgebekte kardinalen

 

En tolken en vertalers naar de schuttingtalen

Het anathema zij beknopt en welgemikt

De toepassing ervan zij nauwgezet en strikt

Zo huilt de Bacon-prent onfeilbaar in zijn falen

 

Onhoorbaar daar een noordelijke loei ontsteekt

Een die in ongeëvenaarde scheldvertoning

Hels vloekt en zweert en Gods geboden tegenspreekt

 

Een waterschout, een dijkvorst of een waddenkoning

Wat let ons dat het standgerecht zich op hem wreekt?

Zelfs Rome kan niets doen want niets gaat boven Groning’


PvB

Vlaamse nachtmerrie

In Vlaanderen breekt de pleuris uit na omverblazende boodschappen uit Nederland.

Men roept om een nieuwe leider.  Zelfs burggraven voldoen niet meer.



In Brussel is de vierschaar diep geschokt bijeen

En bidt verwoed onder de roetende flambouwen,

Buiten jammeren de zusters en de vrouwen

De kardinaal bedekt zijn oren voor ’t geween

 

De stem van ’t Noorden dringt al door de dikste steen

Alom zien wij de vlucht van duizenden ontrouwen

Zij kunnen van de angst hun plas niet langer houwen

En rennen tierend overal en nergens heen

 

Niets baat er nog en in de volgepiste straten

Weerklinkt de roep van ’t volk om Gronings intellect

En om vervanging van de Kamers en de Staten

 

De Koning en zijn hof en de prelaten

En kijk daar is Hij, helder, fris en goed gebekt

De Brulpaus  oet ’t Noord’n met zijn heilsoldaten.

JCC

 

Foeterwaals

Uitbarsting van gifaanval leidt tot radeloze vragen en aanmoediging tot handtastelijkheden



Breng mij het boek met van de pot gerukte woorden,

En een pot zwavelzuur gemengd met vitriool,

De medische Larousse en een puberschool,

En een deskundige in sluipkaraktermoorden;

 

Een emmer verse gal nog schuimend aan de boorden,

Een valse loftrompet, ontstemde altviool,

Pianosaboteurs! Geladen schrikpistool!

Wat is er tegen mistsirene van het Noorden?

 

Hij gaat daar weer eens fel te keer en uit zijn bol

Waar gaat hij al die gram per kilo steeds weer halen?

Hoe slaagt hij daar weer in en hoe houdt hij het vol?

 

Hoe kan de kerk hem in gelijke munt betalen?

Hoe roken we hem uit zijn watergeuzenhol?

Wie gaat hem in zijn paaldorp door de mangel malen?

PvB

 

Komieke koliek


De ingewanden spelen op. Het gist in de Brusselse straten.

In het Noorden is het rustig en tijd voor een Belgisch biertje.




De groene gal is tot het hoogste punt gestegen
Sinds België bij Nederland werd ingelijfd
Van woede weet de arme Belg niet wat hij schrijft
Hij zit de ganse dag amok te overwegen

 

Zijn woeste wanhoop zit om scheldwoorden verlegen.

Terwijl hij in de zee van zure tranen drijft

En tevergeefs tegen de koude muren kijft

Is hij tot overgang naar handgemeen genegen

 

En in het hoge Noorden  lacht de kalme dichter

Vermaakt door de komieke en kolieke scheldlyriek

Hij heeft zijn doel bereikt:  in Brussel heerst paniek

 

En in het Noorden wordt de hemel al maar lichter

Hij pakt een glas en schenkt zichzelf een Kriek

En luistert grijnzend naar de Vlaamse marsmuziek.

JCC

 

Vredespijp

 

Pogingen tot verzoening. Het zoeken naar gemeenschappelijke grond.

Er is teveel tuig op de wereld om zomaar te laten lopen. 


Wij ruziën nu wel en spelen kat en muis,

toch delen wij teveel om even op te noemen

en zijn wij harmonieus in het verwoed verdoemen

van alcodomkop Bush en soortgelijk gespuis.

 

In hoger kringen houden wij graag samen huis.

De kwaaie horzels van ons woord  laten wij zoemen

rond bazen die hun eigen kliek het liefst benoemen

en rond de ijdele BN/Vers  op de buis.

 

Het grauw van dieven, patsers, oplichters en graaiers,

van zakkenvullers, bonusklanten, rechtse rakkers,

van maffiozen  en dictators, mensverraaiers,

 

al wat  extreem  is en wat thuishoort in de bajes.

De reli-overdrijvers en de volksverlakkers;

verrotgescholden door ons tweeën, woordenzaaiers.

JCC

Verzuchting

 

Wat is het stil daar in het Zuiden, allemachtig,

je zou er heel erg bang van worden, werkelijk waar;

misschien is het praktijkverhuizen nog niet klaar

of is den Breus van ‘t Noordelijk geweld onmachtig.

 

Ook mogelijk: hij is van een repliek al drachtig

maar krijgt een passend  eindrijm nog niet voor elkaar

en zoekt de ganse dag en nacht wanhopig naar

een woordenstroom, al net zo krachtig en zo prachtig.

 

Ik, Drentse Meester zie het aan met lede ogen

en raak vervuld van krokodillenmededogen,

vrezend dat de Belg uit ‘t veld geslagen is;

 

die stilte confronteert mij wel met het gemis

van hem die op een lange staat van dienst kan bogen

als dichter, schrijver, armenarts vol mededogen.

Upper crust

Wat gaat gij tussen lommerrijke professoren

Hoe schrijdt gij daar in toga of in zwarte pij

Een ezelsstoet in een historisch schilderij

Met een bord voor de kop en een stop in de oren

 

Zodat gij al het wereldleed niet hoeft te horen

Het huilen van de neergeslagen maatschappij

De wanorde, de crisis en de averij

Het mag de werkgroepdagorde hier niet verstoren

 

Wat hebt gij uit uw scholen op ons los gelaten?

Gij denkelite, bovenkorst, gij schuim des lands

Alumni die nu de provincies en de staten

 

Geplunderd en gepluimd hebben zo onderhands

Een roofkorps van hoog opgeleide beurspiraten

Ten prooi aan hebzucht en het Engels Nederlands

 

PvB

Fenix

Ziedaar! Luid kakelend herrijst hij uit zijn as.

Zijn aangebrande vleugels deftig fladderend,

het maagdelijk papier in drift bezwadderend

met vogelpoep: De Fenix is weer wie hij was.

 

Zijn platvoeten betreden stampend heilig gras.

Hij wast zijn vleugels heel onhandig, badderend

in onschuld, later malle woorden kladderend

op het al eerder volgepoept papier: pias!

 

‘Elite’ schrijft hij,  ‘schuim des lands’ en ‘bovenkorst’,

de vredespijp heeft hij hooghartig afgewezen.

Van woede stekeblind? Niet meer in staat tot lezen?

 

In mij ontvlamt een hartverzengend vrezen:

geen hooggeleerde kan dit monster nog genezen;

de vogel Fenix transformeert tot een hansworst.

 

JCC

Onder de veren

 

Het waterpluimvee mag daar een en ander kwaken

Het zoekt vergeefs naar voedsel in bevroren slib

Verkleumde meerkoet, zeemeeuw of verkouden snip

Die wintervogelkreetjes als ijspegels slaken

 

Ze slikken koude lucht met wijd gesperde kaken

Ze huiveren en rillen en ze kijken sip

Met rijmsnor tussen snavelneus en bovenlip

En dat ze toch nog zoveel klerenherrie maken

 

Wat zoekt gij op de scheidingslijn van eb en vloed?

Gij aangespoeld gevogelte met al uw smalen

Verwaand, verwaten, warrig eierengebroed

 

Doordrenkt van dioxines en zware metalen

Gij vochtige matras bevlekt door zaad en bloed

Met schubben overdekt en penseelschimmel stralen

PvB

Penicillium notatum

Het lage land, het vlakke land dreigt te verdwijnen

onder een woekerende schrijversschimmellaag.

Lokale nieuwsreporters spreken van een plaag

en de regering huurt de knapste anti-breinen.

 

De schimmel woekert over velden, wegen, pleinen.

Het slaat bestuurders alom danig op de maag,

al roept de Directeur van Rentokil: ‘Ik slaag!’

men zag het letterkleed al op de Schelde deinen.

 

De daders schimmelen intussen vrolijk voort

Zij houden wel van dit door niets te stoppen zwammen.

De resistentste schimmel is ’t geschreven woord

 

en het sonnet daarvan de allersterkste soort

zelfs Rentokil is niet in staat ons in te dammen

de schrijversschimmel kan door niets worden verstoord.

 

 

JCC

 

De moeder van alle tochten


De pest, de doorloopcholera, de klerenpokken
De vogelgriep, een snotvalling, het vliegend zot
Opstandige bevolking  zittend op de pot
Er is geen maat aan al het kwaad dat ik berokken

 

En al het onheil dat ik over u zal lokken

Opstapeling van vocht. Het knagen van de rot,

En etterbuilen die zich volzuigen met snot.

Geen zaad dat nog de weg vindt naar de eierstokken.

 

Afvallig volk, losbandig rondkrioelend in uw krocht!

De argeloze speelbal van gewetenloos penoze!

Door alle plagen van Egypte wordt u thuisbezocht.

 

Verkeersinfarct . Een opstoot van tuberculose.

Fijn stof, asbest, en een massale waanpsychose.

Tot slot nog dit: En nooit meer een Elfstedentocht!

 

 

PvB

Aria senza fine uit de coulissen

 

Op het toneel zijn de acteurs  van schrik bevroren,

van voorste rij tot schellinkje beeft het publiek:

uit de coulissen klinkt spontane marsmuziek

en een gepassioneerd  duet.  De twee tenoren

 

zijn tot de Boulevard Périphérique te horen.

Hun wisselzang klinkt splinternieuw, maar toch antiek,

en wordt gekenmerkt door diep drama  en lyriek.

In hun viriel gebrul gaat elk geluid verloren.

 

Toneelknecht, regisseur, de spelers, de souffleuse,

krijgen al spoedig flink het land aan deze reuzen

want de Aria, die lijkt wel senza fine!

 

Het publiek dringt op,  scandeert scabreuze leuzen

- een Waalse krant kopt later  ‘Quelle affaire affreuse!’-

maar de Aria gaat verder, senza fine!

 

JCC


Dollekervel

 

Vannacht trad U naar voren in een dolle droom,

Uw lichaam opgezwollen, bolle wangen grauw

en om U velden vol met reuzenbereklauw,

herfsttijloos, nieskruid, woud van  levensboom.

 

U lag in de lavendelhei, bleek weggetrokken, loom

het gif droop langs uw wangen, het leek op honingdauw

en in de tuinen gloeide ridderspoor, zo bláuw!

Zag ik een graf met hulst en buxus langs de zoom?

 

Een adder stak de gele engelentrompet

en een processierupsenoptocht krioelde door Uw bed

nu keek ik grijnzend op U neer en zag Uw angst

 

Ik heb adonis en papaver neergezet

en ontwaakte koud, maar gillend van de pret.

U weet het, wie het laatst lacht, lacht het langst.

JCC

 

Bron: http://www.neerlandstuin.nl/algemeen/giftig.html

 

De schrijfkramp

Marforio, ik kom terug op senza fine

“Het is een eindeloos want steeds herhaald verhaal

En op de duur wordt het een klein beetje banaal”

Zo zei onlangs Zuster Maria Margarine

 

Ze wees op je gebruikelijke contramine

En je gebruik van ongebruikelijke taal

Je oorverdovend overdreven woordkabaal

Je onophoudelijke dreig- en scheldlawine

 

Heb jij onlangs nog jouw temperatuur gemeten?

Waar ruik je naar? Een diesellucht? Een olietoorts?

Het onderhuidse turfvuur in verborgen spleten?

 

Je gloeit och arme van de liederlijke koorts!

In ijlwaan als een adder in haar staart gebeten.

Geen senza fine maar opnieuw een enzovoorts.


PvB

 

Uitgedoofd

Ten einde raad

 

Waar kan ik nu mijn wrevelpijlen nog op richten?

Wie kan ik nog met vloek en anathema slaan?

De kandidaten mogen in de rij gaan staan.

 Niet dringen, want we hebben volop bliksemschichten,

 

En dozen vol met flitsen en met onweerslichten;

Een onheilsboodschap en een woordenvloedorkaan,

En per persoon een enkel boeking naar de maan,

Zodat ik een per een nu praat met de betichten.

 

Gij boetedoener, nader en kom voor mij knielen.

Spreek op en zeg de waarheid, ontuchtbiechteling!

En laat nu varen al uw trots, ellendeling!

 

Zoniet ben ik gedwongen oorlogprojectielen

Naar u te gooien om uw zielsrust te vernielen.

Dus zeg ons nu: Wat deed gij toen het licht uitging?

PvB

Hallopadducinatie

Nu wordt het moeilijk. Heeft de neler uit het Spoorden een doverosis paddo genomen? Nee, hij las een tijdje in Opperlans! En komt niet meer bij van het lachen. Een mooi einde, wellicht.

 

Een dwabberbal zwaalt met bispogen  door de lucht,

de zweler spalkt van het naar hor, ontzweet, bedaan,

de balgeworden dol lijkt wel een molle vaan;

ontwikkelt zich een dreftig hama of een klucht?

 

Zijn klacket grieft nog  raag maar lak de zwucht.

Hanwopig daart hij stroef zijn spegenteler aan

en klaagt:  gij kestpop, laat mij sloorspags gaan

uit deze hennistal. En kraakt een wilde sleet, en vlucht.

 

De stoteprante winnaar rakt zijn packets op,

hij balt de berg op, zweegt het veet uit zijn gelaat.

Op naar het sland gram, denkt hij kolijk en ordaat,

 

want  biep van dinnen weet hij dat de pruige vaat

geslonnen wag  is, maar dat elke heildolsaat

vecht dottertoot met wiepdood raas pal koor zijn vop.

 

JCC

 

Zie Battus: Opperlans! Taal- en letterkunde (pagina ak= anagram klassiek), Amsterdam, Querido 2003 en natuurlijk John O’Mill Sint Dracus en de Joor, uit Tafellarijmvet, Laren, Andries Blitz 1958;  bronnen die ik met eerbied noem en waar ik (vooral in in regel 7 en 8) bijna uit citeer.

Ich habe genug

 

Het is genoeg geweest. De kardinaal moet gapen.

Hij wordt door drie pleegzusters in het bed getild.

Een ogenblik heeft zijn mondhoek nog nagetrild.

Het was een brug te ver vandaag. Hij moet nu slapen.

 

Begraaf de strijdbijl en het wederwoordenwapen!

Vergeet, vergeef en zo verglijd je ongewild,

Naar sluimer en herstel. Je zielsgemoed wordt mild,

Al stam je uit geslacht van krijgszuchtige papen.

 

We zien de drie verzameld in de theekantine,

Terwijl de kloosterklokken het avonduur slaan:

Het suikerzieke zustertje Maria Saccharine,

 

De zorgdeskundige Maria Vaseline,

Maria Vloeklawine met de muilkorf aan.

Het beeld bevriest en stolt. De tijd blijft staan.

PvB

Nakomertje

Tot slot:

En zo even tussendoor.

 

Geraaskal van een paddofreak als nooit tenvore!

Veel larie en apenkool, geouwenhoer, gelul ,

Gestoofde kut met pere.  Hope  flauwenkul .

De tussen-n. Een gruwel. Niet om aan te horen!

 

Ik ben mijn spellingzekerheid erbij verloren.

Ik had ooit een tien en ik pak nu de nul,

Met waardenloos diploma, en verlopen bul.

Het goede nieuws is dat Pasquinno is herboren.

 

Verbaasde zusters snellen naar het lege graf,

Met hallenloejah’s en Hosannna in den hoge

Marfornio de Stotenprant staat immer paf

 

Na heftige herenstrijd zo een herstelvermogen!

Dan is het nu gedaan. De zwarte kous is af

Er rest ons niets dan dankbaarheid en medendogen

Naslagwerk

De sportman-prof traint zich nog  jaren af,

sonnettentennisdichters kennen niet die luxe

hen rest nooit rust, hun basishouding is ‘ík truc-ze’

het is hun lot: zij slaan hun slag van wieg tot graf.

 

Wie hangt de lier nu aan de wilgen? Dat is laf!

Zoals de Waalse sonnetteur laatst zei: ‘iek fuuk se’

Waarmee hij zeggen wilde:  zelfs de meest kaduukse

sonnettentennisdichter laat nooit, nimmer af!

 

In onze ziel zijn wij nu eenmaal Shaffy-isten,

(wij zullen door-gaan, wij zullen door-gaan)

en wij verzinnen altijd nieuwe trucs en listen

 

omdat het  moet blijft het van binnen rijpen, gisten

a poets work is nooit gedaan, nee nooit gedaan

gristen, visten, wisten, twistten, pisten, misten.