Mucha décembre in een andere kleurweergave

Vooraf

In extremis

In het tweede deel van december gaan we nog even door op het thema van het rijke Roomse leven.

Een andere eigennaam die in verband daarmee is blijven staan, is die van de uiterst-rechtse Oostenrijkse politicus Jörg Haider die in 2000 onder grote mediabelangstelling de Paus ging bezoeken, om officieel de kerstboom te overhandigen, een geschenk aan de Heilige Stoel, vanwege Karinthië. Zo heet het bondsland waarvan Haider de minister-president was. Een nare man met racistische opvattingen die later in een eigenaardig auto-ongeluk om het leven kwam.

Advent

Daarmee verglijden we helemaal naar de kerstsfeer. Het regende kritiek, als dennennaalden ruisend neer op het tapijt. Terzelfdertijd publiceerde zijn Heiligheid een vermaning tegen het racisme. Ook nooit voor een gat te vangen.

Pasta Miracoli is een merk waarvan de firma hier niets mee te maken heeft, maar het betekent eigenlijk mirakeldeegwaren. Het gaat om gemakkelijk klaar te maken maaltijden.

Dementie

De blik verschuift naar beelden uit het bejaardentehuis, een metafoor van de r.k. kerk van vandaag. Uiteindelijk mondt alles uit in een gebed. De titel ‘Paris-Dakar’ is Woestijnvis geworden op 19 december. We dalen af naar de hel als de urinaire incontinentie ter sprake komt.

Zo komen we weer bij de Paus uit, en gezangen onder gewelven.

Feest

In het haar onzes heren 2000 viel het Suikerfeest of Eid al Fitr nagenoeg samen met kerstmis.

Kuttempeesten op 24 december kun je ook uitspreken als cut en pasten, maar dan alleen voor computerfreaks. U bent vooraf gewaarschuwd. Waarna de kerstboom in beeld komt en weer verdwijnt.

Kerstbomen

Een collocatie (26 december) is een gedwongen opname in de oude terminologie. Het is nu in observatie stelling van een geesteszieke persoon.

Van het thuisfront alleen maar slecht nieuws. Mijn foute man van toen heeft zijn enkel gebroken.

Metaalmoeheid en een gesloten breuk. Jonge Bols is een jenevermerk dat hier bijzonder in het geding is.

Vervolgens (28) de dag van de onnozele kinderen met een Nieuwjaarsgedicht van het einde van de jaren negentig. Meerdere malen grondig herwerkt. In die tijd leefde de witte beweging ook nog sterk. Dat het nu ook al twintig jaar geleden is.

Pasquino zit klem met de geheimhoudingsplicht en klemt de kaken op elkaar.

Bijbelcitaat

Wij eindigen hoopgevend. Het citaat van Ezekiël dat ons voor het voorlaatste sonnet inspireerde, klinkt als volgt.

Dit zegt God, de Heer:

Ik zal zelf naar mijn schapen omzien en

zelf voor ze zorgen. Zoals een herder naar

zijn kudde op zoek gaat als zijn dieren

verstrooid zijn geraakt, zo zal Ik naar mijn

schapen op zoek gaan en ze redden, uit alle

plaatsen waarheen ze zijn verdreven op een

dag van dreigende, donkere wolken.

Ikzelf zal mijn schapen weiden en ze laten

rusten – spreekt God, de Heer.

Ik zal naar verdwaalde dieren op zoek gaan,

verjaagde dieren terughalen, gewonde dieren

verbinden, zieke dieren gezond maken.

Slot

Het allerlaatste sonnet van de scheurkalender is de weergave van een gedachte van Jallaleddin Roemi, ons grote voorbeeld en wellicht de grootste dichter ooit. Over hoe het water strootjes meevoert.

December zestien tot een en dertig

16 Herrie om een kerstboom

De Paus heeft Haider in het Vaticaan ontvangen,

De Oostenrijkse kerstboom op het plein gestald,

Door oproer-grenadieri rijen-dik omwald.

Wie kan naar meer publiciteit nu nog verlangen?

 

Daar stapt hij met verdachte blos op beide wangen,

Waarna het orgel in de basiliek weerschalt.

De beuk erin zingt heel de kerk te saam gebald.

Geen kaddisj maar wel psalmen, hymnen en gezangen

 

Toch laat de Paus ook weten “Wij zijn niet racistisch.

Bij ons geroepen is hij om hem te vermanen.

Vanop mijn stoel zie je het niet altijd dualistisch.

 

Het is dan ook een van de meest zeldzame banen.

We geven toe, het was een beetje fantaisistisch.

Jörg Haider tot inkeerberouw in staat te wanen.”

17 Eindbestemming

Het is hem aan te zien. Hij zal het niet lang rekken.

Al weken is hij moe op weg terug naar huis,

Steeds krommer buigend onder het gebukte kruis,

Stokoude sok op tocht naar herinnerde plekken.

 

Het sfeerbeeld mag tot diepe weemoed strekken.

Geen optocht meer, maar aftocht. Er is iets niet pluis.

Uit het hiernamaals komt alleen wat witte ruis.

Als grijze knarren naar de knekelvelden trekken.

 

Met boterham en thermos stromen toe de Polen

Begroeten hem uitbundig! Welgemeend applaus.

Een straaltje blijheid uit het land van bruine kolen.

 

Daar juicht het olifantenkerkhof van de Paus.

Hij strompelt naar 't altaar op draadversleten zolen.

Pasta Miràcoli met Polonaise saus!

18 Alzheimer

Wie zit daar in zijn rolstoel met schone sandalen?

Zijn wervelzuil, kalkarm, verkromd en schuin geknakt.

Zijn bovenlichaam krachteloos en scheefgezakt,

Staat geparkeerd in schoongeboende ziekenzalen.

 

Hij mompelt binnensmonds wat uitgestorven talen.

Gelaatstrekken verstijfd en in grimas verstrakt.

Hij leeft nog wat en maakt nog graag eens oogcontact.

Een oude man die wacht tot ze hem komen halen,

 

Wordt elke dag gewekt, gewassen, aangekleed,

Verschoond, gekamd, wat rondgereden, en gevoed,

En elke dag staat weer het personeel gereed

 

Hij wordt desnoods ook nog beademd als het moet,

Alsof hij boeten moet voor al het wereldleed,

Tot alles uitloopt op een aronskelkenstoet.

19 Woestijnvis

Waar hij nu is, wil ik uit liefdeswens niet weten.

Zijn lichaam leeft. Zijn geest is echter uitgedoofd.

De ziekte heeft zijn mensenwezen leeggeroofd.

Lang voor zijn beurt heeft hij zijn levensdraad versleten.

 

Een oord van stil gefluister en verstomde kreten.

Zijn ziel is bloedeloos, af van het bot gekloofd,

In wervelende pluim verkookt en doorgestoofd,

Zijn blik oneindig en de diepte niet te meten.

 

Wie van ons beiden is verbijsterd, wie verbluft?

Nog is niet elk sprankeltje licht al uitgestorven.

Al lijk je soms versuft en mentaal uitgepuft,

 

Je levensgeest verstikt, je adem wat bedorven:

Toch flikkert daar een glimmervonkje van vernuft,

Een vis in de woestijn die lang heeft rondgezworven.

20 Ontbijt met Bacon

Op heterdaad betrapt met stuifmeel op de stamper,

Incontinent in bed ligt zieke kardinaal,

Beroofd van bril, met slappe lul in urinaal.

De commentaren van het personeel zijn schamper.

 

De geur speelt op door de stoom van de vochtverdamper.

Daar drupt uit de verschrompelende kerkgarnaal,

Over de rand van scheefgezakte opvangschaal

De overloop in onverzadigbare pamper.

 

De bedpan in de hand van zuster Margarine,

Klotst lichtjes op het ritme van haar stap gezwind.

De rivierkreeft wenkt haar met weids gebaar naar binnen,

 

En zwaait met een missaal of de Septuagint.

Zijn klauwen rijzen op uit het bezoedeld linnen.

Het opmaken van 't bed gehoorzaam herbegint.

21 Zweepslag

De norse kerkprins heeft zijn water losgelaten.

De zusters lopen heen met bedpan, urinaal,

En weer met vers incontinentiemateriaal.

Geloosd het vocht is er geen tijd om bij te praten,

 

Er valt een stilte vol lacunes en hiaten.

Verbaal ooit van tongriem gesneden, vlot ter taal,

Vindt de prelatenvorst nog amper zijn verhaal.

Een paar halsstarrige citaten daargelaten.

 

Een zandlopervermaning dient tot illustratie.

Een lavalamp van schrijfkramp op de buffetkast

Knelpunten, flessenhalzen, en een wanprestatie,

 

Zijn weggelaten, of zeer grondig aangepast,

Aan de complexe thuisverzorgingssituatie.

En naadloos is er soms een lichtbeeld ingelast

22 Excuses, foutje

Nu de Kersttijd aanbreekt is er onlust uitgebroken.

Wat heeft de kerk niet opgestapeld aan misdaad?

Besmeurd voor altijd is het priesterlijk gewaad.

En zelfs de Paus heeft zich daarover uitgesproken!

 

Wat hebben katholieken al niet uitgestoken?

De ene schanddaad na de andere. Verraad!

Afpersing, moord, vervolging, alle kattenkwaad,

De Heilandmoord op Joden bloedig weer gewroken.

 

Daar wentelt zich wellustig in onfeilbaarheid,

Kalkarm gebeente, Poolse vrijgezel in Rome,

En doet zijn oefeningen in onpeil-baarheid,

 

Spreekt onverstaanbaar in de micro, de schijnvrome,

In eindeloze grijze onopgeilbaarheid,

In naam van Jezus, Christus Koning, uw rijk kome !

23 De Zeven Sacramenten

Een koor van dichtgeknoopte grieten zonder tieten

Zingt onder de gewelven een vermoeide psalm.

Het klinkt mistroostig in de blauwe wierookwalm.

Het kaarslicht doet hun paarse haar lila verschieten.

 

Vervlochten stemmen, een volière vol parkieten,

Met onverhoeds een onvermoede onweergalm

Als de alt invalt na het nodeloos getalm.

“O Heer laat los Uw Heerschaar.” Eindelijk genieten!

 

Zoiets maar minder ijl klonk de vergeten kerk,

De Pauselijke zegepralend Katholieke,

Die nog wat voort hobbelt dankzij het dameswerk.

 

Het staat te lezen in een bul of encycliek.

Het doopsel goot in u een onuitwisbaar merk,

Totdat het oplost in de zalving van de zieke.

24 Kuttempeesten

Soms botsen wandelende op de staande feesten.

Het Suikerfeest, het einde van de Ramadan,

Is daar dit jaar het treffelijke voorbeeld van,

Met Kerstmis valt het samen. Vrede in de geesten!

 

Vergeving en vergiffenis, gebak en knuffelbeesten:

Daar ligt het vlees te braden in de wok of pan,

Hier zijn het oesters en champagne, maar zeg kan

Dit zomaar verder gaan of wordt het cut and pasten?

 

De klanten agressief, de handelaars inhalig.

De treurbuis geeft de kindermoord te Bethlehem

Want daar is er dit jaar geen kerstfeest. Wat schandalig!

 

En er wordt ook geschoten in Jeruzalem.

Maar bij ons is de kerstsfeer nogal gelukzalig,

Al ontbreekt het de sprakeloze aan een stem

25 Late Kerstafschuw

Al voor de siergeschenken worden afgenomen,

In wouden die de zure regen onder plenst.

Per keer dat rijtje dwarrelt of beneden drenst,

Verliest hij veren. Zo doen dode dennenbomen,

 

Op vasttapijt en bosgrond dalen naaldenstromen.

U zij, naarmate dat de conifeer verflenst,

Een zalig heidens consumentenfeest gewenst!

We mogen allen weer van nieuwe kerstmis dromen.

 

En voor gezond verstand is het helaas te laat.

De boodschap in geheugen na mag zinderen:

Het was alweer een jaar van grof geweld en haat.

 

De vorst is in de winter streng voor kinderen.

Geen meter is de staat in staat het grootste kwaad

Ook maar een luttel beetje te verhinderen.

26 Belgisch Kerst Weekend

Het was de wacht alweer. Een dood, een collocatie

De tol in acht en negentig van jongste kerst

Feest!  Met zijn allen plassen om het verst,

Ziedaar de collectieve feestprestatie,

 

Van onze zelfgenoegzame gespleten natie,

Volvreten België dat van de vraatzucht berst.

En zich de ingewanden schier heeft uitgeperst

Desintegratie noch confederale natie.

 

De homo die van kinderen niet houden mocht,

Die komt niet voor in het TV jaaroverzicht.

Maar wel het vele water dat een uitweg zocht,

 

Naar spleet of kier in vaderlanders! Onverricht-

Ter zake staat of ligt het  grondgebied op tocht.

Ik mag het zeggen want ik ben een volle nicht.

27 Metaalmoeheid

Op tweede kerstdag heeft mijn man zijn bot gebroken.

In twee gespleten was zijn enkel naar het scheen.

Het scheenbeen en de gesp, versplinterd en uiteen.

De Jonge Bols en kerstmisijzel hebben zich gewroken.

 

Heelkundig het gewricht dan weer in een gestoken.

Verdoofd zonder narcose was alleen het been,

Van in de lies tot aan de rechtse grote teen!…

Gegipst met in metaal weer rechtgezette knoken,

 

Komt hij naar huis terug, dan sta ik op de rem.

Ik zal hem in zijn waan vermanend tegenspreken,

Hij die ooit opriep tot gebed met harde stem!

 

Hij ligt er willoos bij en ik ben uitgekeken.

De klemtoon ligt beklijvend hier op kleine klem.

Op kwaliteiten maar ook op een reeks gebreken.

28 Brakke hond

Het jaar zeven en negentig komt tot ontknoping.

De televisie biedt een laatste overzicht,

Van rouw in witte sluiers om 't gestorven wicht.

Ontroerd gebed welt uit de stille volksophoping.

 

Van 't oude Belgische gebouw was dit de sloping.

In 't stof van rommelige kelders dringt het licht,

Op oude lijken in een kast of kist gericht.

En weldra dreigt de openbare uitverkoping.

 

Bestorven moeders, weduwen, ween, wees wanhopig!

En stort uw tranen als de regen in de sloot,

Al was de oude macht ook nog zo stropig,

 

Het België van Koning Boudewijn is dood.

De witte woede was wel hevig maar voorlopig.

Het maagdenvlies geschonden en de kroon ontbloot.

29 Gewetensonderzoek

Wat knaagt er aan mijn ziel, is dat gewetenswroeging?

Goed veertig jaar van wrede spijt en oude wrok,

Zo lang dat ik er kort geleden weer van schrok.

Wat houd ik over? Schaamte, schande, vergenoeging,

 

Een droef gevoel, een droesem en een smaaktoevoeging,

De keren dat ik er het korte eind uit trok,

Met iedereen had ik het wel eens aan de stok:

En hoe het er soms redeloos bij ons aan toeging.

 

De avond neigt naar deemstering en duisternis.

Ik overdenk de dag van heden bij zijn val.

Het komt nu toch nog tot een schuldbekentenis,

 

Maar nog geen biecht, noch spuwen van mijn groene gal,

Geen vragen naar excuses noch vergiffenis,

Maar afbetaling van een late achterstal.

 

30 Ezekiël 34, 11-12 + 15-16a

De Herengod zegt, zo vertelt een profeet:

“Zelf zal ik mijn kudde behoeden en weiden,

De schapen naar welige weilanden leiden.”

Zo’n  herder die ’n zoekgeraakt dier niet vergeet,

 

Van ieder de naam en geschiedenis weet,

Bij wonden genezende zalf kan bereiden

Nadat ze herkauwend de avond verbeiden,

Ze allen terugbrengt naar de schapenkeet.

 

Dat God dat zelf doet, zegt Ezekiël

Beschutting, bescherming, verdedigingswapen

En kome wat mag, de getrouwe gezel

 

Bekommert zich ook om de geringste schapen

De Heer is de Herder. Hij doet het zelf wel;

We kunnen op onze twee oren weer slapen.

31 Zorgvliet naar Roemi

Zo voert gedachtenstroom met achteloos geklater,

Een vloot van stokjes en van strootjes met zich mee,

Het ene wat parmantig en het ander meer gedwee,

Gedwarreld op de vliet en het klotsende water.

 

Onvoorbereid op eeuwigheid, onklaar voor later,

Op wegtocht naar de eindeloze zoute zee:

Een zaaddoos of een fruitpit of een orchidee.

Een glimp zij opgevangen van natuurtheater.

 

Het zijn de sporen van de onvindbare hof,

Waar dingen groeien die alle verbeelding tarten.

Je ziet de afdruk in het poeder en het stof.

 

Wie zou daar niet naar smachten en om smarten?

Dat loverbladstruweel en overhangend lof,

De tovertuin van troost voor uitgestorte harten.

 

Uitsmijter

Begijnhofkerk

 

De oude toren vuur gevat,

Tien negertjes zijn nu te vieren.

God kent hen in hun hart en nieren.

Een kortsluiting, naar bleek, maar wat,

 

Een grote kerkbrand was me dat!

Daar kwam de brandweer zegevieren,

Met bluskracht naar de vlammen klieren,

Doordrenkt en als een beek zo nat,

 

In vlammen zonder ommezien.

Een brand van God is het misschien,

Die laait op ingestorte baksteenwanden.

 

Ik kwam er op terug indien,

Daar op niet daagde Carolien,

Een Ierse heks met bezwerende handen.