Blog Herfst 2017

19. okt, 2017

De koeien gedreven in goud en in tin:
Ze willen vooruit en ze hebben er zin.
In. Weg uit de koestal naar groenende grassen
Ze loeien van trek in de weilandgewassen,
Met klaver en zuring. Dat wil er wel in.

Ze mogen van koestal naar weiland verkassen.
Langs ’t ruisende riet met hun driftige passen,
Langs ‘t klaterend water bij ’t ochtendbegin.
De koeien

Omgeven door rook en verstikkende gassen:
Hephaestos is bezig met smeden en lassen,
Van wapenrusting, die desalniettemin,
Zo’n vredige herderslandschappen laat zien.
Op zilveren schilden en gouden kurassen,
Met koeien.

De koeien
18. okt, 2017

Rundell 1821

17. okt, 2017

Runderen

Het tweede gedicht is langer en begint met een verpersoonlijkte rivier, die in staat is iets te willen en te wensen, iets wat normaal alleen maar mensen doen. De bekommernissen van de rivier als personage bestrijken factoren zoals bedding en stroming, die bepalend zijn voor het comfort van de waterstroom die zomaar elke dag gratis voorbijtrekt aan herkauwende koeien.

Nu bevat mijn eigen bijdrage, die ik straks iets uitgebreider ga bespreken, ook een verwijzing naar runderen. Ik ben uiterst opgetogen, de koeien weer tegen te komen. Frans ziet ze liggen langs de stroom. Hier lopen ze niet, zoals ze bij Homeros zullen doen. Nee, hier liggen ze moe maar tevreden naar de voorbij stromende of kabbelende rivier kijken, bij het nagenieten van de maaltijd.

Ja, zo een hele dag grazen, dat hakt erin. Vervolgens komt over meerdere regels de beweeglijkheid van het water aan bod dat zich hoogstens af en toe onder een brug te slapen legt, maar meestal onvermoeibaar aan het werk blijkt. Net zoals in de bijdragen van Chris en Marijke, is er de zee-gerichtheid als finaliteit.

Dat is wellicht wat ze in de rivier zien. Hij of zij mondt niet alleen in de zee uit, maar in haar verpersoonlijkingen verlangt ze er ook naar. In het uitmonden ligt de vervulling van elk verlangen, en dat is wat we allemaal zouden willen. Aankomen, in de zin van arriveren. Thuiskomen.

Eigenlijk is het wel mooi zo allemaal samen, als je de vier inzendingen achter elkaar leest, toevallig in de volgorde waarin het staat. Iedereen heeft zijn of haar rivier beschreven en toch lijkt het om een en dezelfde rivier, die steeds anders is, te gaan. Dat is het mooie van de leeservaring.

Mijn eigen bijdrage begint met een rondeau en het eindigt met een sonnet, met commentaren ertussen.

16. okt, 2017

Als de rivier iets wil
is het stroming en diepgang
om zich voor stilstand te behoeden

op de oevers liggen moe de koeien
loom loeren ze naar wat bemoeit
grashalmen buigen onder een zwoele bries
onverstoord spoelt de golfstroom voorbij

het water dat de beschoeiing schuurt
het holt uit en holt door
roert zich breder waar het kan
oefent in terugtrekken als het nodig is
legt zich hier en daar onder een brug te slapen

maar altijd voort in de geboden loop
en waakzaam of het ergens moet wijken
als het door tegenslag of gedwarsboomd
een andere geul moet graven

soms meeneemt wat verloren is
naar waar het onvermoeid eindigt
waar het opnieuw begint

in zee
moeder van alle rivieren

Frans Terken
15. okt, 2017

Opgelost

Het gedicht van Frans omvat een enkele volzin, een periode, in korte regels zonder interpunctie noch hoofdletters, waarvan elke regel zich wel ontcijferen laat, maar die samen een complex beeld vormen dat op het einde binnenkomt in het hoofd ‘boven water.’ Een uitdagende gedachte, hoe de dichter erbij komt, op enigszins halsbrekende wijze.

Ik zie er een metafoor in, waar de rivier en de dichter elkander weerspiegelen. Beetje diepzinnig, maar dat mag ook wel.  Net zoals de rivier  bundelt de poëzie ‘de krachten’ om het ‘hoofd boven water, te houden.’ Dat is wat ik ervan mag onthouden.

De poëzie ontspringt zoals een rivier uit een bron die hogerop in een verleden te vinden is en die we kunnen vinden door stroomopwaarts te klimmen. Zij mondt uit in de zee, wat de rivier betreft, en in de opvattingen van het publiek erover, wat de poëzie betreft. Het gaat om een stroom van woorden die ergens vandaan komt en die er op uit is zichzelf ergens in uit te werpen.

Op het einde van de rit, wanneer het ogenblik van de lotsbestemming is aangebroken, gaat het individuele bestaan verloren om deel van een onverdeelde zee uit te maken. Er bestaat in de mystiek ook een weg die lang poëtische paden er op neerkomt, dat de individuele ziel zich uitstort in de Goddelijke onpeilbaarheid en er zich in verliest.

Zo gaan de woorden in een vorm van samenhang eendrachtig op zoek naar de vervulling van de eindbestemming. Voordat we die hebben bereikt, zijn we samen onderweg en we komen elkaar tegen in de verschillende levensstations. We leggen de tocht af in het gezelschap van de anderen, dat we kunnen mijden of opzoeken naargelang de intuïtie, die niet onfeilbaar is.

Zo klinken de woorden die zich in slagorde een weg naar het publiek banen, op zoek naar de lezer. Het stromende woord stort zich uit in ons, de toehoorders. Er heeft immers een tijd bestaan dat poëzie voornamelijk uitgesproken en beluisterd werd. De bron van de dichtkunst is het gezongen lied en het gesproken vers.

Relatief recent in onze wordingsgeschiedenis als mensheid zijn we alles gaan opschrijven. Het bewaart de poëzie, maar die stolt dan ook.